geschiedenis

Oorsprong van de zotte maandag

Zotte maandag

De ‘Zotte Maandag’ is één van de mooiste volksfeesten in de Vlaamse Ardennen.

Wijlen André Roekeloos, gewezen voorzitter van de Ronsische V.V.V. en eminent folklore kenner, wijdde verschillende artikelen aan het fenomeen ‘Zotte Maandag’ te Ronse.

Uit die verschillende documenten kunnen we opmaken dat er geen bronnen voor handen zijn over het onstaan van de Zotte Maandag zodat de exacte oorsprong ervan vaststellen quasi onmogelijk is.

Toen André Roekeloos in 1928 naar Ronse kwam wonen zag hij op een maandagavond hier en daar verklede en gemaskerde mensen rondlopen… ze droegen geen kledij die ons aan ‘carnaval’ zou doen denken, zegt André, maar wél ‘oude klederen’ die uit de ene of andere koffer op zolder werden bovengehaald!

André Roekeloos, Leuvernaar van geboorte, had dit nog nooit gezien en besloot aan een Ronsenaar geboren in 1867 de betekenis ervan te vragen. Deze man vertelde hem dat dit een ‘oude Ronsische gewoonte’ was die hij zelf steeds had gekend en in Ronse bekend stond als ‘bonno lupen op Zoote Mondag’. Deze bij uitstek VOLKSE GEWOONTE vindt haar oorsprong ontegensprekelijk op “Driekoningenavond” of “dertienavond” (1).

Deze christelijke viering kwam in de plaats van het oude heidense feest gewijd aan de drie wijzen uit het Oosten… bij die gelegenheid werd in familie- of vriendenkring o.a. de ‘koning’, de ‘tallorelekker’ en de ‘zot’ uitgeloot. De ‘zot’ trok dan acht dagen later (op Zotte Maandag) of de ‘eerste maandag ná Driekoningen’ verkleed en ‘vermomd’ naar de feestvierders van Dertienavond om ze ‘hun zotheid’ te zeggen (figuurlijk dan). Dit gebeurde in de verschillende wijken die de stad Ronse toen kende (nu verdwenen).

Maar waarom werd die ‘viering’ de Zotte Maandag genoemd?

Dit gegeven liet André Roekeloos niet los. Hij zegt in één van zijn artikelen: “De stad Oudenaarde vierde reeds in 1352 een ‘verzworen Maendach’”. Het moet ons zeker niet verwonderen dat ‘onze’ Zotte Maandag geen “verloren” of “ verzworen” of “verzopen” maandag werd genoemd die wél bestonden in tal van andere Vlaamse steden .

Sinds het concordaat van Napoleon (1803) was Driekoningen, eertijds een der voornaamste hoogdagen van het jaar. Toen naar het einde van die eeuw de industrialisatie het werk meer en meer in de fabrieken concentreerde, was het niet langer mogelijk die dag vrijaf te nemen om te feesten. De stoomketels die in de fabrieken voor drijfkracht zorgden, konden zo maar niet in de loop van de week gedoofd worden. Zo kwam men op het idee, de arbeiders een dag vrijaf te geven op de eerste maandag na Driekoningen: daar de ketels toch elke week op zaterdag gedoofd werden, was er geen nutteloos verlies. Dan werd er maar op maandag ‘gefeest’: de Zotte Maandag was geboren, aldus Albert Camier (boek Bommels blz.35)

André Roekeloos wijdt dit wellicht ook aan het feit dat de Ronsenaren uitblonken in ‘sotternieën’ op de landjuwelen (groot rederijkersfeest).

Mijnheer Roekeloos vond een bijdrage terug van Edmund Van der Straeten met als titel: “De Ronsische Rederijkerskamers in 1564”. De schrijver vermeldt verder in zijn artikel: ”Is het uit hoofde van hunne aloude behendigheid in de sottespelen, dat de Ronsenaren de benaming “Ronsische Zotten” ontvingen?

Twee date wijzen erop dat onze stadsgenoten nog vroeger “zot” konden doen…

*De Oudenaardse stadsrekeningen van 1438-1439 vermelden het bezoek en de veroorzaakte onkosten ‘van de zotten bisschop der college ronsse’…

*Op dinsdag 24 december 1504 wordt een brief gericht door Eerwaarde Heer Deken en Leden van het Kapittel aan de “aanhangers van de kerk” om geen onverantwoordelijke houding aan te nemen gedurende de ‘zottedagen’ door zich te onderwerpen aan de gekheden van de ‘zotte bisschop’…

Dertienavond

Dertiendag (=Driekoningen op 6 januari) is de dertiende dag na Kerstmis inbegrepen. Daar de liturgische dagen van zonsondergang tot zonsondergang gesteld worden begon ook het Driekoningenfeest de avond te voren (Dertienavond), bij ons met een wafelbak.

In het begin van de vorige eeuw ‘liepen’ kleine groepjes van 3à4 kinderen van deur tot deur verkleed op meelijwekkende wijze in moeders oude slaaprok of andere kledij, gegrimeerd met houskool of met een masker. In de hand een zelfgemaakte spaarpot en zingden het volgende (in het Ronsies) het volgende liedje:

Oôp ienen dertiêjnoeven
Den baker sloeg zie wóóf
Oó méi die iete poele
Zuu dierlèk ôôp ier lóóf

Waa zoeme den baker gèèjven
Oó ver zie nééjfjoer
E kienjnden ‘iejn de wééjge
E kienjnden ‘iejn den trôôch
Eest nééj gestaulen, ’t liecht er nôôch.

Spijtig genoeg is deze traditie met het opkomen van de ‘moderne tijden’ volledig verdwenen.